Kunst & Cultuur

Weekendverhaal Schrijfclub

schrijfclub

De Dood

“Lientje is in de hemel! De school was uit, de kinderen hollen hard naar huis.” Ik herinner mij dit citaat uit het taalboek van de onderbouw nog. Wat vonden wij dat een mooi en aangrijpend verhaal om te lezen. Samen met onze moeder zaten wij thuis regelmatig om de tafel voor te lezen. En speelden wij wie het eerst een leesfout zou maken. Naast het feit dat het gezellig en educatief was, leerden wij foutloos en correct lezen. Al lezend kwamen wij in aanraking met de dood. Ik liet mijn fantasie varen en zag Lientje in een grappig jurkje boven met andere kinderen spelen.

Hoe zou het zijn om dood te gaan, denk ik vaak. Niemand kan deze vraag beantwoorden, er is nog nooit iemand teruggekomen om het te vertellen. Ook droom ik vaak over de dood. Over kennissen, collega’s, familie en vreemden. De context is altijd erg bijzonder.  Zo droomde ik dat ik samen met een overledene in een kamer zat. De kamer was ruim, de verlichting was zacht en wij bevonden ons op een soort podium.  Zij zat overeind in haar doodskist, ik zat naast haar op de grond terwijl wij over de zin en onzin van het leven spraken. Dit was erg bijzonder, we kenden elkaar niet.  Ik luisterde goed of ze een nummer zou noemen waar ik de lotto mee zou kunnen winnen. Helaas, geen nummer. Er wordt beweerd dat als je met een overledene praat, je altijd goed moet luisteren of er een getal wordt genoemd. Het kan het winnende lotnummer zijn. Door de jaren heen heb ik veel mensen heen zien gaan. Het gekke is dat iedereen dit zowel in hun eigen stijl als op hun eigen manier deed. Sommigen gingen onrustig, anderen ontspannen, de een liet een traantje, de ander een zucht, soms zag ik een glimlach en een andere keer een frons. Sommigen gingen heen in het bijzijn van familie of geliefden, sommigen in hun eentje met mij naast hun zijde.  Zo maakte ik mee dat een mevrouw te overlijden kwam die geen familie had. Ze ging rusten met haar hand in de mijne. Ik vond dit erg triest, hier werd ik nou bedroefd van. Ik belde de arts, hij schudde met zijn hoofd. Samen hebben wij haar afgelegd.  Doodgaan doe je in je eentje, ondanks de steun van je omgeving. Het is net als bevallen, dat doe je ook alleen, uiteindelijk. Ik heb veel naasten zien worstelen met zichzelf en hun gevoelens. Aan de ene kant willen ze helpen, maar ze voelen zich ook nutteloos en machteloos.  Vooral als hun geliefde niet aangeraakt wil worden. Dit maakt het moment nog pijnlijker en de emoties heftiger. In mijn carrière heb ik veel mogen verplegen, verzorgen, begeleiden en troosten maar vooral simpelweg een luisterend oor geboden. Vaak werd me gevraagd: zuster wat moet ik doen?” Ik antwoordde:  “Gewoon aanwezig zijn.” De dood hoeft helemaal niet eng te zijn, maar jammer genoeg wordt dit vaak zo ervaren. Ik denk dat het met onwetendheid te maken heeft, mensen kunnen het lijden van de ander niet aanzien. Zeker als het om een geliefde gaat. Ze krijgen het er benauwd van, voelen zich ongemakkelijk. Alles wat ons een ongemakkelijk gevoel geeft, is eng, het wekt schijnbaar angst op. Veel mensen weten niet dat doodgaan, of mooier gezegd heengaan, ook mooi kan zijn. Met mooi bedoel ik: het samen van tevoren bespreekbaar maken. En duidelijke afspraken maken over wat je wel of niet wilt. Bijvoorbeeld: waar ligt het trouwboekje, welke kleding wil je aan, welk kapsel wil je, welke muziek? En dit dan laten vastleggen. Als de tijd dan aanbreekt, verloopt het rouwproces minder heftig, is mijn ervaring. De pijn en het verdriet kunnen dan als een regenboog worden omschreven. Ik heb een aantal situaties bijgewoond waar de nodige paniek uitbrak omdat er niet van tevoren over was nagedacht. Er zijn heus wel dagen dat je beren op de weg tegen zult komen. Maar de voorbereiding geeft op de een of andere manier kracht waar je later uit kunt putten. Diep in mijn buidel tastend herinner ik mij de eerste keer dat ik een lijfje in mijn armen heb vastgehouden. Het was een baby die ik samen met een collega naar het mortuarium moest brengen. Ik werkte toen als verpleeghulp op een kinderafdeling. Zoals in bijna alle ziekenhuizen loop je eeuwen voordat je bij het mortuarium aankomt. Soms bevindt deze zich in de kelder of achter het gebouw. Sommigen denken dat je stalen zenuwen moet hebben om deze lijdensweg af te kunnen leggen. Er ging zoveel in mijn hoofd om. Bang was ik niet. Het voelde erg sereen, het was waanzinnig stil. Raar, dacht ik, en ik keek met bewondering naar de grond, wat waren de vloertegels van het mortuarium eigenlijk mooi en glanzend. Niet veel mensen kwamen hier.  Het vak achter de eerste deur die mijn collega opentrok, bleek bezet te zijn, ik keek en zweeg. Er lag al een lijk. Het tweede vak was leeg, voorzichtig legde ik het lijkje op de brancard. Voordat ik de deur sloot, dekte ik het lijkje snel extra toe. Bang dat het kou zou vatten. Zwijgend liepen wij in gedachten samen terug naar de afdeling. Het werk ging gewoon door.

Door de jaren heen heb ik geleerd dat de dood bij iedereen een of andere associatie oproept. Voor mij betekent het een moment in het leven waarop ik straks overga en ontvangen zal worden door iedereen die eerder dan ik is heengegaan. Wat een weerzien zal dit zijn. Vooral als ik mijn grootmoeder bij de poort weer tegenkom, zoals wij ooit samen hebben afgesproken.

Deel dit artikel